Dose-Escalation in the Picture

Pharmacological and Imaging studies

in depression

Eric Ruhé


The work described in this thesis was mostly performed at the Academic Medical Center, Program for Mood Disorders in the Netherlands. The studies were conducted in close collaboration with the departments of Nuclear Medicine, General Practice, Pharmacology and Pharmacotherapy, Clinical Epidemiology, Biostatistics and Bioinformatics and Radiology.

Most of the studies in this thesis were financially supported by grants from the Academic Medical Center ( SFA.07.012), the Netherlands Organisation for Health Research and Development (ZonMw), program Mental Health, education of investigators in mental health (OOG; #100-002-002) , and from the Dutch Brain Foundation (14F06.45).

Additional support for the completion of this thesis was provided by Amicale Facel Holland.

Dose-Escalation in the Picture. Pharmacological and Imaging studies in depression

Thesis, University of Amsterdam, The Netherlands. With a summary in Dutch.

Copyright © 2008, Henricus G. Ruhé, Amstelveen, The Netherlands H.G.Ruhe@AMC.UvA.NL

All rights reserved. No part of this thesis may be reproduced, stored or transmitted in any form or by any means, without prior permission of the author.

Layout: ProBook with FLE technology by GDS Cross Media Group BV, Nieuw Vennep, The Netherlands

Cover: Inge E. Kos, Medical Photography and Illustration Academic Medical Center, The Netherlands

Printed by : PrintPartners Ipskamp BV, Enschede, The Netherlands

ISBN: 978-90-9023559-2

Dose-Escalation in the Picture

Pharmacological and Imaging studies

in depression

ACADEMISCH PROEFSCHRIFT

ter verkrijging van de graad van doctor

aan de Universiteit van Amsterdam

op gezag van de Rector Magnificus

prof. dr. D.C. van den Boom

ten overstaan van een door het college voor promoties

ingestelde commissie,

in het openbaar te verdedigen in de Aula der Universiteit

op woensdag 5 november 2008, te 10:00 uur

door

Henricus Gerardus Ruhé

geboren te Amsterdam


Promotiecommissie

Promotor: Prof. dr. A.H. Schene

Co-promotor: Dr. J. Booij

Overige leden: Prof. dr. D.A.J.P. Denys

Prof. dr. R. Dierckx

Prof. dr. B.L.F. van Eck-Smit

Prof. dr. C.G. Kruse

Prof. dr. W.A. Nolen

Faculteit der Geneeskunde


“The brain is not a chemical factory but an extremely complicated survival machine”

Arvid Carlsson, Nobel lecture 2000


Samenvatting en conclusies

In deze Nederlandse samenvatting wordt een overzicht gegeven van een aantal basiskenmerken en een aantal problemen in de farmacologische behandeling van depressie. Deze problemen stonden aan de basis van de studies beschreven in dit proefschrift. Hiervoor is een onderzoeksproject opgezet met verschillende substudies (beschreven in hoofdstuk 2). Dit onderzoek had de overkoepelende naam DELPHI-studie, wat staat voor ‘Dose-escalation Legitimate? Pharmacology and Imaging studies in depression'. In het Nederlands: ‘Is dosisverhoging legitiem? Farmacologische en neuroimaging studies bij depressie.

Na de achtergrond wordt een samenvatting gegeven van de belangrijkste resultaten van de studies, de klinische relevantie ervan, gevolgd door een afsluitende conclusie.

•  Achtergrond en problemen in de behandeling van depressie

Major Depressive Disorder (MDD), in het Nederlands depressieve stoornis, verder aangeduid met depressie, is een veelvoorkomende en invaliderende ziekte die in potentie recidiveert of verwordt tot een chronische aandoening. Depressie staat momenteel wereldwijd op de tweede plaats van invaliderende ziekten en komt per jaar bij ±5.5% van de volwassenen voor. Ongeveer 12-14% van alle mannen en 22-24% van alle vrouwen wordt gedurende hun leven getroffen door depressie. 1;2 Depressie gaat gepaard met hoge directe kosten betreffende de behandeling en indirecte kosten als gevolg van verminderde arbeidsproductiviteit en het verlies van kwaliteit van leven. Naast verschillende vormen van psychotherapie wordt farmacotherapie met antidepressiva vaak aangewend als behandeling. 3-8

Antidepressiva kunnen worden ingedeeld in vier groepen of ‘klassen': Selectieve serotonine heropname remmers (SSRIs), tricyclische antidepressiva (TCAs), monoamine oxidase remmers (MAOIs) en een restgroep, waaronder de zogenaamde ‘dual action' antidepressiva. SSRIs, 'dual-action' antidepressiva en TCAs worden het meest gebruikt. 9 De meeste antidepressiva beïnvloeden de balans van verschillende boodschapperstoffen in het brein, de ‘neurotransmitters' serotonine (5-HT) en noradrenaline (zogenaamde monoaminen). De boodschapperstoffen zijn noodzakelijk voor de communicatie tussen zenuwcellen. Communicatie vindt plaats door het uitscheiden van de boodschapperstoffen in de ruimte tussen de zenuwcellen: de synaps. De meeste antidepressiva blokkeren een belangrijk onderdeeltje van de zenuwcel: de serotonine (of noradrenaline) heropname transporter (respectievelijk SERT of NAT), waardoor de hoeveelheid serotonine en/of noradrenaline in de synaps wordt verhoogd. Op deze manier verhogen de meeste antidepressiva de serotonerge en/of noradrenerge signaaloverdracht of neurotransmissie. Als dit echter nader wordt bekeken, hebben verschillende groepen antidepressiva ook specifieke, aanvullende effecten op de zenuwcellen; zogenaamde pre- en post-synaptische effecten (zie hoofdstuk 1, pagina ¶1.6.1). 10;11 In reactie op de verhoogde serotonerge en/of noradrenerge signaaloverdracht worden ‘second messenger' systemen geactiveerd, die men op dit moment slechts gedeeltelijk begrijpt. 12

Het brein is ook een systeem van met elkaar verbonden kernen of schakelcentra, ook wel neuronale netwerken genoemd. Behandeling met antidepressiva blijkt aanzienlijke veranderingen in de functie van dergelijke neuronale netwerken te veroorzaken (zie hoofdstuk 1, pagina ¶1.6.3). 13-15 Tot op heden is echter onvoldoende duidelijk welke veranderingen noodzakelijk en specifiek zijn om een depressie te genezen. Het lijkt erop dat de effecten van een toegenomen signaaloverdracht gemedieerd worden door de genetische eigenschappen van patiënten (bijvoorbeeld het 5-HTTLPR polymorphisme 16 ) (zie hoofdstuk 1, pagina ¶1.6.4). Er is namelijk een verband tussen genetische eigenschappen van patiënten en de effecten van behandeling met antidepressiva. 17 Ook blijken de ontwikkeling van het brein en verbindingen in de neuronale netwerken genetisch bepaald te zijn. 18

Antidepressiva hebben een vergelijkbare effectiviteit; ongeveer 50% van de depressieve patiënten reageert op het eerste voorgeschreven antidepressivum. Bij slechts een kleiner percentage van de patiënten wordt volledige remissie van de depressieve klachten bereikt. 19;20 Daarom is onvoldoende verbetering op een eerste antidepressivum een groot klinisch probleem.

Ten eerste wordt een behandelaar geconfronteerd met de vraag hoe de verandering van symptomen goed en efficiënt te meten. Om op juiste gronden klinische beslissingen te nemen, is de beschikbaarheid en implementatie van valide, korte en eenvoudige meetinstrumenten belangrijk. Ten tweede is het de vraag wat het optimale moment is om de gestarte antidepressieve behandeling te evalueren en zonodig te wijzigen: aangezien antidepressiva enige weken tijd nodig hebben om een verbetering te bewerkstelligen, moet dit niet te vroeg, maar ook niet te laat plaatsvinden. 21

Als een patiënt geen verbetering (veelal gedefinieerd als 50% verbetering van de klachten; ‘respons') ervaart op de gestarte SSRI, zijn er vijf farmacologische strategieën: 1) nog enkele weken ongewijzigd voortzetten van de aanvankelijke behandeling, 2) dosisverhoging, 3) het veranderen of ‘switchen' van het antidepressivum, 4) het toevoegen van een middel dat de werking van het antidepressivum versterkt (augmentatie) en 5) het combineren van verschillende antidepressiva. Over al deze strategieën is de wetenschappelijke kennis beperkt. Om goede ‘evidence-based' behandelalgoritmen te ontwikkelen zijn goede systematische literatuuroverzichten noodzakelijk. Naast het overzicht over de effectiviteit van behandelingen, verduidelijken deze overzichten ook waar zich lacunes in de kennis over de behandeling met antidepressiva bevinden. Deze lacunes kunnen in nieuwe onderzoeks­projecten worden bestudeerd.

De verlate start van de werking van antidepressiva, de beperkte werkzaamheid van antidepressiva en de verscheidenheid aan farmacologische effecten in het brein, roepen de meer fundamentele vraag op wat het pathofysiologische model voor depressie is. Meer specifiek kan men zich afvragen: wat is precies de onderbouwing van het uitgangspunt van de werking van de meeste antidepressiva: de monoamine hypothese en de betrokkenheid van het serotonerge systeem als een oorzakelijke verklaring van het ontstaan van depressie?

•  Samenvatting en conclusies van de studies in dit proefschrift

Dit proefschrift behandelt verschillende vragen:

•  Is een korte, door de behandelaar in te vullen vragenlijst even effectief en precies als de gebruikelijke Hamilton depressieschaal (HDRS)?

In hoofdstuk 3 heranalyseren wij de behandeluitkomsten van twee antidepressiva/psychotherapie onderzoeken met als doel de evaluatie van de uitkomsten bepaald door verschillende subschalen van de oorspronkelijke HDRS. 22 Conform andere studies, 23-26 vonden wij dat de twee 6-items bevattende subschalen van Maier 27 en Bech 28 overeenkomen met de originele 17-items bevattende HDRS. Dit gold voor het meten van de ernst van depressie en de gevoeligheid om veranderingen in de tijd te meten. Wij berekenden een conversietabel van oorspronkelijke HDRS-scores naar de Maier en Bech scores (en vice versa ). Ook bepaalden we afkappunten voor remissie bij deze subschalen. 29-31 Wij concluderen dat met deze subschalen clinici de ernst en respons van patiënten efficiënter kunnen meten dan met de oorspronkelijke HDRS.

•  Wat is het wetenschappelijke bewijs voor dosisverhoging als strategie voor patiënten die niet verbeterden op een eerste SSRI?

In hoofdstuk 4 beschrijven wij een systematisch literatuuroverzicht van het wetenschappelijke bewijs voor een dosis-respons relatie voor SSRIs bij de behandeling van depressie. 32 Wij concludeerden dat er géén wetenschappelijk bewijs bestaat dat dosisverhoging van SSRIs effectief is in de eerste 4 weken van de behandeling met een standaarddosering. Verder lijkt dosisverhoging na 6 weken behandeling met een standaarddosering zelfs minder effectief dan het ongewijzigd doorgebruiken van de oorspronkelijke dosering. Dosisverhoging gaat gepaard met een toename van de bijwerkingen zonder dat patiënten de behandeling staken vanwege deze bijwerkingen. Vanwege methodologische tekortkomingen concludeerden wij desondanks dat het wetenschappelijke bewijs voor dosisverhoging noch een duidelijk toegenomen werkzaamheid, noch een duidelijke onwerkzaamheid aantoont. Deze conclusie vormde het startpunt voor de DELPHI-studie, beschreven in de hoofdstukken 2 en 6 tot en met 10.

•  Wat is het wetenschappelijke bewijs voor het ‘switchen' van antidepressiva als strategie voor patiënten die niet verbeterden op een eerste SSRI?

In hoofdstuk 5 beschrijven wij een systematisch literatuuroverzicht waarin het wetenschappelijke bewijs voor het wisselen (‘switchen') van antidepressiva in het geval dat er onvoldoende verbetering van de depressieve klachten optreedt bij het eerste antidepressivum. 33 Voor drie gerandomiseerde switch-studies die het switchen naar een 2 e SSRI vergeleken met een switch naar een SNRI (venlafaxine) konden wij een meta-analyse uitvoeren. 34-36 Deze meta-analyse liet alleen in de meest rooskleurige analyse een beperkte meerwaarde van het switchen naar venlafaxine als tweede antidepressivum zien. Wij concluderen dat bij onvoldoende respons op een eerste SSRI, het ‘switchen' naar elk ander middel kan plaatsvinden, zonder duidelijke verschillen in werkzaamheid en dus vergelijkbaar is met de keuze van het eerste middel.

•  Verlaagt de depletie van monoaminerge systemen de stemming van mensen en is deze stemmingsdaling verschillend voor verschillende subgroepen van mensen?

In hoofdstuk 6 beschrijven wij een systematisch literatuuroverzicht van het wetenschappelijke bewijs dat zogenaamde monoamine depletie studies de stemming van onderzochte proefpersonen verminderen. 37 Hierbij voerden wij een meta-analyse uit, zodat de resultaten van 53 kleine depletie studies konden worden samengevat (‘gepooled'). Wij vonden dat serotonerge, noch noradrenerge/dopaminerge depletie een stemmingsdaling geeft in gezonde controlepersonen, terwijl depletie de stemming van gezonde controlepersonen met een eerstegraads familielid dat depressief is geweest enigszins verminderd. Bij medicatievrije patiënten die na een depressie een volledige remissie van hun klachten hebben bereikt vonden we een matige stemmingsdaling. Monoamine depletie veroorzaakt een terugval bij patiënten die na een depressie een volledige remissie van hun klachten hebben bereikt, echter alleen als deze patiënten een serotonerg werkend antidepressivum gebruiken. Bij depressieve patiënten vindt geen verdere stemmingsdaling plaats na depletie.

Wij concluderen dat stemming niet direct is gecorreleerd aan de hoeveelheid serotonine, noradrenaline of dopamine in het brein. Wel lijken monoaminerge systemen een belangrijke rol te spelen in de kwetsbaarheid om depressief te worden.

•  Verschillen depressieve patiënten en gezonde controlepersonen in het aantal serotonine transporters en is het aantal serotonine transporters gecorreleerd met de ernst van de depressie?

In hoofdstuk 7 onderzoeken we het aantal serotonine transporters (SERTs) in het brein van depressieve patiënten, zoals gemeten in de eerste (baseline) SPECT scans van de deelnemers aan de DELPHI-SPECT studie. Wij vonden diverse interactie-effecten tussen geslacht en ziektestatus met betrekking tot het aantal SERTs in zowel het diencephalon ((hypo)-thalamusregio) als het midbrain (de hersenstam), met daarnaast interactie-effecten tussen roken en ziektestatus (alleen in het diencephalon). Deze interactie-effecten resulteerden in een lager aantal SERTs bij depressieve mannen maar juist meer SERTs bij depressieve vrouwen (ten opzichte van gezonde controlepersonen). Daarnaast bleek het seizoen waarin de scan gemaakt wordt een duidelijke verandering van het aantal SERTs in het midbrain te geven. Deze bevindingen wijzen op complexe effecten van geslacht, roken en het seizoen waarin de scan gemaakt wordt op het aantal SERTs bij depressieve patiënten en gezonde controles. Deze effecten moeten in toekomstig onderzoek van het aantal SERTs bij depressieve patiënten versus gezonde controlepersonen worden meegewogen in de analyses.

•  Verandert een veelvoorkomend genetisch polymorfisme van de promotor regio van het gen voor de serotoninereceptor (SLC6A4) de associatie tussen de SERT bezettingsgraad door paroxetine en de klinische respons?

In hoofdstuk 8 onderzoeken wij de relatie tussen klinische respons na 6 weken paroxetine gebruik en de mate van bezetting van het farmacologische doelwit van paroxetine: de serotonine transporter. De mate van bezetting, ofwel bezettingsgraad van de SERT is hierin de verandering van de hoeveelheid gemeten SERTs na 6 weken behandeling ten opzichte van de hoeveelheid gemeten SERTs vóór behandeling (baseline). 38 Daarbij onderzoeken we of de relatie tussen klinische respons en bezettingsgraad wordt beïnvloedt door genetische varianten in het SERT-gen, de 5-HTTLPR polymorfismen.

Wij vonden dat voor alle patiënten samen, de SERT bezettingsgraad niet geassocieerd is met de klinische respons. Echter, nadat we de patiënten onderverdeelden op basis van hun 5-HTTLPR polymorfisme, vonden we alleen bij patiënten met het (gunstige) 17;39 L A /L A genotype een significante relatie tussen SERT bezettingsgraad en klinische respons. Wij verklaren onze bevindingen met de hypothese dat patiënten met het 5-HTTLPR L A /L A genotype mogelijk een meer flexibel serotonerg systeem bezitten, 18 dat beter beïnvloed kan worden door serotonerge antidepressiva.

•  Is dosisverhoging van paroxetine een effectieve klinische strategie bij onvoldoende respons bij de behandeling van depressie?

In hoofdstuk 9 onderzoeken wij dosisverhoging als strategie voor patiënten die onvoldoende verbeteren op een standaarddosering paroxetine gedurende 6 weken in een gerandomiseerde klinische studie (RCT). Dit onderzoek was een gevolg van de twijfels over de effectiviteit van dosisverhoging (zie ook hoofdstuk 4). 32 Als meest belangrijke aanvulling onderzoeken we in een subgroep van de patiënten of een echte dosisverhoging van paroxetine de SERT bezettingsgraad meer doet toenemen dan een placebo-verhoging. 40

In een interim analyse analyseerden wij 57 gerandomiseerde patiënten en vonden dat er geen verschil in werkzaamheid bestaat tussen een echte en een placebo dosisverhoging van paroxetine. De studie werd hierop afgebroken in verband met futiliteit. Als belangrijkste bevinding laat ons onderzoek zien dat een echte dosisverhoging van paroxetine geen grotere toename van de SERT bezettingsgraad geeft dan een placebo dosisverhoging. Dit is te verklaren doordat waarschijnlijk al bij een standaarddosering een plateau van SERT bezetting wordt bereikt. We concluderen, in overeenstemming met eerdere, echter meer twijfelachtige gegevens, 41;42 dat dosisverhoging geen meerwaarde heeft in de behandeling van depressie.

•  Wordt de hyperactivatie van de amygdala bij depressie door een behandeling met paroxetine genormaliseerd?

In hoofdstuk 10 onderzoeken we de emotionele respons van het brein op een (negatieve) gezichtentaak in de DELPHI-fMRI substudie. 43 We onderzoeken hierin de effecten van behandeling met paroxetine op de vaak vastgestelde hyperactivatie van de amygdala tijdens een depressie. Ten opzichte van gezonde controlepersonen vonden we bij depressieve patiënten een toegenomen activiteit in beide amygdala's en de daaraan grenzende regio. Wij vonden aanvankelijk een toename van de activatie van de rechter amygdala na 6 weken behandeling, die kon worden toegeschreven aan de patiënten (12/20) die onvoldoende verbeterden (non-responders). Deze toegenomen amygdala-activatie nam af in de periode tot week 12. Vooral bij de patiënten die in week 6 en/of week 12 =50% verbetering van hun klachten ervaren, nam de amygdala-activatie beiderzijds af, terwijl de amygdala-activatie in week 6 en 12 geassocieerd was met de HDRS-score. Patiënten met onvoldoende respons hadden meer activatie in andere emotie ‘genererende' (ventrale; zie hoofdstuk 1, pagina ¶1.5.3) gebieden, terwijl responderende patiënten meer activatie toonde in emotie ‘regulerende' (dorsale; zie hoofdstuk 1, pagina ¶1.5.3) gebieden. We concluderen dat, in overeenstemming met eerdere studies, 44-47 12 weken behandeling met paroxetine de amygdala en andere emotie genererende gebieden minder actief doet zijn en dat de corticale, regulerende functie verbeterd. Dit gebeurt vooral bij patiënten die een klinische respons ervaren. Deze bevindingen wijzen op een toegenomen frontaal-limbische controle als werkingsmechanisme voor paroxetine geïnduceerde behandeleffecten (zie hoofdstuk 1, pagina ¶1.6.3).

•  Hoe veranderen de haemostase en stollingsparameters in bloedplaatjes gedurende een behandeling met paroxetine en worden deze veranderingen gemedieerd door dosisverhoging of een genetisch polymorfisme van de promotor regio van het serotonine transporter gen?

In hoofdstuk 11 beschrijven we de resultaten van een weinig voorkomende, maar potentieel gevaarlijke bijwerking van SSRIs: toegenomen bloedingsneiging. 48 We vonden dat een standaard dosis paroxetine (20 mg/dag) al een significante daling van serotonine en ß-thromboglobuline (ß-TG) in de plaatjes veroorzaakt, zonder dat dit verder afneemt bij dosisverhoging . Bovendien vonden we dat het 5-HTTLPR polymorfisme deze effecten medieert: ten opzichte van L A /L A -dragers, neemt de bloedingstijd significant toe in patiënten met <2L A -allelen en hadden patiënten zonder een L A -allel, sterkere veranderingen in plaatjes aggregatie gerelateerde parameters. Deze bevindingen zijn van belang voor patiënten met een eerdere ernstige bloeding; bij hen kan genotypering overwogen worden, waarbij bij een S'/S' genotype het starten van, of het switchen naar een niet-serotonerg antidepressivum moet worden overwogen.

•  Klinische relevantie

•  Switchen

Ondanks een klein voordeel van een eventuele switch naar venlafaxine in plaats van een tweede SSRI (slechts in de meest gunstige analyse), concluderen wij dat de switch-opties na een eerste SSRI identiek zijn aan de keuze voor het eerste middel. Op basis van de literatuur kunnen geen duidelijke aanbevelingen worden gegeven voor een keuze na een eerste SSRI. Sinds ons systematische literatuuroverzicht verschenen er nog één nieuwe RCT die switchen naar venlafaxine vergeleek met switchen naar citalopram, 49 en drie open-label studies. 50-52

Recent werd er een andere meta-analyse gepubliceerd, waarin een niet-SSRI switch (venlafaxine, mirtazapine of buproprion) werd vergeleken met switchen naar een tweede SSRI. 53 In deze meta-analyse includeerden de auteurs 2 extra studies (abstracts van symposia) 54;55 en excludeerden zij (net als wij in onze meest rooskleurige analyse 34 ) een methodologisch twijfelachtige studie. Deze meta-analyse concludeert dat er bij switch naar venlafaxine een statistisch significant, doch klinisch niet relevant voordeel bestaat in het aantal patiënten dat een remissie van de klachten bereikt. 5;56 Voor het uitkomstcriterium respons werd geen significant verschil vastgesteld. 53 Onze conclusie blijft met deze aanvullende bevindingen ongewijzigd; er lijkt voor individuele patiënten geen duidelijk verschil tussen de verschillende switch-opties te bestaan.

•  Dosisverhoging

Na ons systematische literatuuroverzicht concluderen wij dat er geen overtuigend bewijs ten faveure of tegen dosisverhoging bestaat. Een onafhankelijke onderzoeksgroep concludeerde hetzelfde op basis van een ander overzichtsartikel. 41 De resultaten van onze dosisverhogingsstudie (hoofdstuk 9) verdisconteerde de methodologische beperkingen van eerdere studies en werd vanwege futiliteit afgebroken na een interim-analyse. 40 Hoewel het aantal gerandomiseerde patiënten beperkt was, waren de verschillen tussen echte en placebo dosisverhoging zodanig klein (en niet significant) dat de studie voortijdig moest worden beëindigd vanwege futiliteit. Dit houdt in dat het gevonden verschil in HDRS-scores kleiner was dan een vooraf berekend noodzakelijk verschil om nog enige kans op een daadwerkelijk verschil te verwachten, indien het onderzoek voltooid zou worden conform de oorspronkelijke planning. Zodoende beschermde deze interim-analyse patiënten om blootgesteld te worden aan een interventie waarvan op dat moment bijna 100% zeker was dat er uiteindelijk geen meerwaarde van zou worden vastgesteld. Deze uitkomst is in overeenstemming met het eerdere onderzoek van Licht et al. 57 Helaas maakt het voortijdig staken van onze studie het onmogelijk om eventuele subgroepen te identificeren waarin dosisverhoging wellicht toch effectief is (bijvoorbeeld de patiënten die gedeeltelijk (partieel) verbeterden). 58;59

De substudie waarin wij de verandering in de SERT bezettingsgraad bepaalden bij patiënten die een dosisverhoging kregen, versterkt de hierboven beschreven klinische bevindingen. Wij concluderen op basis van ons systematisch literatuuroverzicht, onze RCT en onze imaging studie, dat dosisverhoging van SSRIs geen effectieve strategie is voor depressieve patiënten die na 6 weken onvoldoende verbetering ervaren op een standaarddosering.

Een recente meta-analyse van 9 placebo-gecontroleerde, ‘fixed-dose' studies, gericht op het vinden van de optimale dosering (‘dose-finding') van SSRIs, 60 concludeerde dat er een gering, maar statistisch significant voordeel was van hogere doseringen van citalopram, escitalopram, fluoxetine, fluvoxamine, paroxetine en/of sertraline, gegeven vanaf het begin van de behandeling (4% meer patiënten met een respons; p= 0.04). Het kleine verschil wordt echter als klinisch niet relevant beoordeeld. De auteurs konden niet aangeven dat de significantie van de resultaten aan één van de SSRIs kon worden toegeschreven. Een nadere inspectie van hun gegevens laat in ieder geval geen enkel voordeel van hogere doseringen paroxetine zien, maar wel een duidelijk grotere uitval vanwege bijwerkingen (16.5% ten opzichte van 9.8% bij standaarddoseringen). Daarom blijft het volgens ons dubieus of hogere doseringen SSRIs vanaf het begin van de behandeling zinvol zijn bij depressieve patiënten. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat hogere doseringen mensen eerder doen stoppen vanwege bijwerkingen, zodat een adequate, langerdurende blootstelling aan (qua bijwerkingen acceptabele) standaarddoseringen voorkomen wordt.

•  Andere klinisch relevante resultaten

Twee andere relevante bevindingen komen in dit proefschrift naar voren. Ten eerste blijkt dat de Maier en Bech subschalen resultaten geven die overeenkomen met de volledige HDRS 17 . 22 Andere auteurs suggereren dat deze subschalen beter de kernsymptomen van depressie meten en dat het gebruik van subschalen zelfs efficiëntere metingen geeft 23;24 vanwege de afname in variantie. 61 De Maier of Bech subschalen kunnen dus gebruikt worden in de klinische beoordeling van (de behandeling van) depressieve patiënten, naast zelfinvullijsten als de ‘Inventory for depressive symptomatolgy self-rated' (IDS-SR) of de ‘ Beck depression inventory' (BDI). Dit is vooral belangrijk bij mensen die zelfinvullijsten niet betrouwbaar kunnen invullen (bijvoorbeeld bij psychotische kenmerken of bij ernstige cognitieve beperkingen).

Ten tweede verdient de verhoogde bloedingsneiging bij SSRI-gebruik meer aandacht. 48 Dit was al bekend vooral in combinatie met NSAIDs. 62-67 De standaard van het Nederlands Huisarts Genootschap adviseert een TCA als de patiënt tevens NSAIDs gebruikt, 4 hetgeen volgens ons niet geheel correct is, aangezien een serotonerg werkend TCA als clomipramine vermoedelijk vergelijkbare problemen geeft. Vanwege de relatief lage incidentie van potentieel levensbedreigende gastro-intestinale bloedingen ( 4.3/1000 SSRI behandeljaren; 14.5/1000 SSRI+NSAID/aspirine behandeljaren; ten opzichte van 1.2/1000/jaar in onbehandelde volwassenen), 65 lijkt de toegenomen bloedingsneiging bij SSRIs irrelevant bij patiënten die geen eerdere ernstige bloedingsincidenten hebben doorgemaakt, of een trauma of operatie meemaken. Echter, bij patiënten met anamnestisch een eerder ernstig bloedingsincident, of bij patiënten die een electieve operatie zullen ondergaan en wellicht ook bij patiënten die regelmatig NSAIDs gebruiken, is genotypering van het 5-HTTLPR een overweging. Bij het vaststellen van het S'/S' genotype zou dan een switch naar een niet-serotonerg werkend antidepressivum kunnen worden geadviseerd. De (kosten-) effectiviteit van deze benaderingswijze dient nog wel te worden onderzocht.

•  Neurobiologie van de behandeling van depressie

Met ons onderzoek onderzochten we ook de neurobiologie van depressiebehandeling met paroxetine in vivo . De algemene beschouwing omtrent dit deel van het proefschrift vraagt aanzienlijke uitleg en enige voorkennis, welke gedetailleerder uiteen wordt gezet in de Engelstalige ‘general discussion'.

Met de SPECT-scans gedurende de gerandomiseerde, dubbelblinde dosisverhogings­fase 40 laten wij als eersten ondubbelzinnig zien dat er bij dosisverhoging geen sprake is van een stijging van de SERT-bezettingsgraad. Dit kon op basis van eventuele vertekening in eerder onderzoek niet zo eenduidig worden geconcludeerd. 68-80 Bovendien wijzen onze gegevens op een matige relatie tussen bezettingsgraad en klinische respons, in tegenstelling tot een eerder gepostuleerde 80% bezettingsgraad die hiervoor vereist zou zijn. 38;81 De feiten dat de relatie tussen bezetting en klinische respons alleen lijkt te bestaan voor dragers van het L A /L A genotype van het 5-HTTLPR gen en dat datzelfde genotype de anatomie en connectiviteit van emotiegerelateerde netwerken beïnvloedt, 18 wijzen erop dat de (heilzame) effecten van een verhoogde serotonerge signaaloverdracht waarschijnlijk afhankelijk zijn van de ontwikkeling van het serotonerge systeem.

Een toename van serotonine geeft in het algemeen een beter controle of beteugeling van de informatieverwerking in het brein, 82 met 1) een vermindering van de kans op doorschieten in een reactie van andere systemen (bijvoorbeeld het dopaminesysteem) en 2) een verminderde gevoeligheid voor verstorende in- en externe invloeden op het brein. Deze effecten worden met depletie van serotonine omgekeerd beïnvloedt. Daarnaast beïnvloedt serotonine de aanmaak van ‘brain derived neurotrophic factor' (BDNF), 83 een eiwit dat betrokken is bij neuroplasticiteit. Onze en andere fMRI-studies kunnen in dat licht worden geïnterpreteerd. Bij responders verbeterde de cognitieve controle en nam de emotionele hyperactivatie af. 43 Uit een eerder onderzoek bleek dat behandeling met sertraline een toename veroorzaakte in de functionele koppeling tussen de amygdala en de frontale en (pregenuale) cingulaire cortex, 84 respectievelijk emotionele en controlerende, cognitieve onderdelen van het limbische-subcortico-corticale netwerk. Mogelelijk is deze toegenomen functionele koppeling een gevolg van de verhoogde serotonerge neurotransmissie, mogelijk het gevolg van een toename van BDNF, of beide. Dit dient nog verder onderzocht te worden.

•  Beperkingen van het onderzoek

In ieder hoofdstuk en de Engelstalige ‘general discussion' zijn de mogelijke beperkingen van de studies van dit proefschrift afzonderlijk beschreven. De belangrijkste hiervan worden in deze Nederlandse samenvatting aangestipt.

Voor de SPECT-studies gebruikten wij een niet-selectieve radioligand ([ 123 I]ß-CIT), die ook bindt aan dopamine transporters (bijvoorbeeld in de substantia nigra) en noradrenaline transporters (bijvoorbeeld in de locus coeruleus). 85-88 Inmiddels zijn er selectieve SERT liganden zoals [ 11 C]DASB voor PET of [ 123 I]ADAM voor SPECT beschikbaar. Eerdere beeldvormende onderzoeken in apen lieten zien dat de opname van [ 123 I]ß-CIT in het midbrain en diencephalon voornamelijk binding aan SERTs vertegenwoordigt. 89 Wij menen daarom dat onze bevindingen in het diencephalon en midbrain vooral de SERT bezettingsgraad weergeven. Tevens reduceert het gebruik van de SPECT-scans ten tijde van randomisatie (als een uitgangspunt voor de veranderingen door dosisverhoging) een mogelijke vertekening door de niet-selectieve ligand. Uiteraard zou in toekomstig onderzoek het gebruik van selectieve liganden ([ 11 C]DASB of [ 123 I]ADAM) overwogen moeten worden en is het in meerdere opzichten een uitdaging om ons onderzoek met dergelijke liganden te herhalen.

In het case-control onderzoek naar de beschikbaarheid van SERTs bij depressieve patiënten versus gezonde proefpersonen bleven kleine subgroepen over bij het onderzoeken van effect-mediërende variabelen. Daarom hebben wij deze verschillen als exploratieve analyses gepresenteerd. Ten aanzien van de associatie tussen SERT bezettingsgraad en klinische respons vergeleken wij ook kleine groepen, maar vonden wij statistisch sterk significante verbanden die wij daarom als valide beschouwen. Om toevallige bevindingen uit te sluiten is replicatie van deze bevindingen wenselijk. Na de interim-analyse staakten wij onze vergelijkende studie vanwege futiliteit, wat verdere analyse van subgroepen niet toeliet. De fMRI-studie was een voor neuroimaging vrij grote studie, waarin wij robuuste effecten vonden. Echter ook hierbij was het aantal patiënten in de dosisverhogingsgroep beperkt voor het onderzoeken van drie-weg interacties tussen dosisverhoging, tijd en respons.

Ons neurobiologische onderzoek onderzocht geen van de specifieke secundaire effecten van SSRIs. Er zijn vele adaptieve pre- en post-synaptische effecten van SSRIs bekend, 10;83;90-97 deze werden meestal bij knaagdieren onderzocht. 98 De maximale stralingsbelasting voor wetenschappelijk onderzoek liet geen ander scanonderzoek met radioliganden toe, evenmin onderzochten wij de effecten van dosisverhoging in diermodellen. Vooropgesteld moet echter blijven, dat de klinische effecten zowel in ons, als in eerder onderzoek geen effectiviteit van dosisverhoging laten zien. Aanvullend dierexperimenteel onderzoek zou daarom vooral meer fundamentele kennis over het werkingsmechanisme van SSRIs en de neurobiologie van dosisverhoging geven.

Tenslotte kunnen clinici zich bij het lezen van het onderzoek in dit proefschrift af gaan vragen waarom initieel hogere doseringen van SSRIs effectief zijn gebleken in (sommige) ‘fixed-dose, dose-finding' studies bij patiënten met een angststoornis, 99-102 en vooral bij de obsessief compulsieve stoornis (OCD). 103-107 Dit vormt een intrigerend vraagstuk dat buiten het kader van dit proefschrift valt, maar een vergelijkbare aanpak als in ons onderzoek rechtvaardigt.

•  Methodologisch sterke kenmerken van het onderzoek

Dit proefschrift is gebaseerd op een relevant klinisch vraagstuk. Alle behandelaren kennen het probleem dat patiënten onvoldoende verbeteren op een eerste SSRI en dosisverhoging is bijna altijd de eerste stap, gevolgd door een switch van antidepressivum. 108-112 Dit proefschrift kan daarom relevant zijn voor toekomstige richtlijnen.

Onze systematische literatuuroverzichten werden uitgevoerd conform de strenge richtlijnen van de Cochrane Collaboration. 113 Wij voerden ‘sensitieve' zoekacties van de literatuur, zodat de kans op het missen van waardevolle studies geminimaliseerd werd. Bovendien werden alle gevonden studies kritisch beoordeeld en samengevat, waarbij wij alleen een meta-analyse uitvoerden als de klinische homogeniteit dit toeliet. In onze meta-analyse van de monoamine depletie studies hanteerden wij bovendien het statistische probleem van het ‘poolen' van ‘cross-over' studies. 37

De empirische studies uit dit proefschrift werden zorgvuldig opgezet, waarbij de methodologische problemen van eerdere dosisverhogingsstudies werden voorkomen. 32;114 Hiertoe randomiseerden wij patiënten pas na 6 weken behandeling, zodat de kans op een verlate respons werd verminderd. Ook leidde ons dosisverhogingsschema niet tot een toename van de uitval (door bijwerkingen) in de dosisverhogingsgroep. Tenslotte was onze SPECT-studie die het effect op de SERT bezettingsgraad kwantificeerde uniek en gaf dit een duidelijke rationale waarom dosisverhoging niet werkzaam is.

Met het uitvoeren van de fMRI-studie onderzochten we de effecten op de emotieregulatie als gevolg was van de behandeling met paroxetine. Dit was de zesde fMRI studie die de behandeleffecten van SSRIs bij depressie onderzocht. Het feit dat wij 3 scans maakten en dat veel patiënten initieel niet voldoende verbeterden gaf ons de mogelijkheid om het verschil in hersenactivatie tussen responders en non-responders bij paroxetine behandeling te onderzoeken. Dit is een belangrijke aanvulling op de bestaande literatuur.

Verder keken wij ook naar de perifere effecten van paroxetine, buiten het brein, maar met hetzelfde mechanisme: de blokkade van de opname van serotonine in de plaatjes en de effecten daarvan op de bloedstolling. Toegenomen bloedingsneiging is een infrequente, maar potentieel gevaarlijk complicatie. Wij lieten zien, dat ook de standaarddosering van paroxetine invloed kan hebben op de haemostase, vooral in de subgroep van patiënten die drager zijn van het S'/S' polymorfisme van het 5-HTTLPR gen. Deze groep is mogelijk ook gebaat bij secundaire preventie van toekomstige bloedingsproblemen bij het gaan of blijven gebruiken van SSRIs.

•  Toekomstig onderzoek

De studies in dit proefschrift stimuleren om nieuwe studies en systematische literatuuroverzichten te starten. Een aantal onderdelen van de DELPHI-studie dienen nog uitgewerkt te worden, terwijl andere vraagstukken met deze studies onbeantwoord zullen blijven. In de Engelstalige ‘general discussion' wordt een aanzet gegeven voor toekomstige studies, die zich met name zullen moeten richten op de vergelijking van verschillende strategiëen voor onvoldoende respons, en het meer fundamentele begrip van de dwarsverbanden tussen verschillende neurobiologische systemen. Hierbij valt te denken aan een RCT waarin switchen na 6 weken wordt vergeleken met 6 weken doorbehandelen, onderzoek bij depressieve patiënten naar de beïnvloeding van het dopaminerge systeem door SSRIs, en de effecten van antidepressiva op de neurogenese.

•  Conclusie

Dit proefschrift heeft betrekking op de behandeling van depressie met antidepressiva en vooral op het vraagstuk wat te doen als patiënten niet verbeteren op een standaarddosering. Op basis van twee systematische literatuuroverzichten concluderen wij dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs bestaat voor een duidelijke aanbeveling over het switchen naar een ander antidepressivum en het verhogen van de dosering. In de hierop volgende gerandomiseerde placebo-gecontroleerde studie (de DELPHI-studie) onderzochten wij de klinische werkzaamheid van dosisverhogingen bij depressieve patiënten die onvoldoende waren verbeterd na 6 weken paroxetine (20 mg/dag) gebruik. Daarnaast onderzochten we in een subgroep de neurobiologische effecten van dosisverhoging in SPECT en fMRI neuroimaging studies. Met de DELPHI-studie tonen we aan dat dosisverhoging bij paroxetine geen meerwaarde heeft ten opzichte van een placebo-verhoging. Bovendien kwantificeren we dat dosisverhoging de blokkade van het farmacologische doel van paroxetine, de SERT, niet doet toenemen.

Eveneens onderzochten wij in dit proefschrift de rol van monoaminen en de SERT in de etiologie van depressie en de neurobiologische effecten van behandeling met paroxetine. Op basis van deze studies concluderen wij dat depressie niet noodzakelijkerwijs veroorzaakt wordt door een slecht werkend serotonerg systeem. Depressie kan beter worden gezien als een verstoring van de balans tussen het emotionele en cognitieve functioneren van het limbisch-subcortico-corticale netwerk. De toename van de serotonerge neurotransmissie als gevolg van behandeling met paroxetine (en waarschijnlijk andere SSRIs) lijkt te liggen in een betere beteugeling van de neuronale verwerking van informatie. Patiënten die verbeteren na de behandeling laten een afname van de emotionele activiteit (bijv. in de amygdala) en een toename van de cognitieve controle zien. De bevindingen van dit onderzoek kunnen dienen als uitgangspunt voor het verder ontwikkelen van biomarkers voor behandel-uitkomsten, met als doel het ontwikkelen van een beter begrip van het ziektebeeld depressie en effectievere behandelingen.

•  Referenties

1. Bijl RV, Zessen Gv, Ravelli A. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Prevalentie van psychiatrische stoornissen. Ned Tijdschr Geneesk . 1997; 141 : 2453-2460.

2. Mathers CD, Loncar D. Projections of global mortality and burden of disease from 2002 to 2030. PLoS Med . 2006; 3 : e442.

3. Richtlijn Depressie. Multidisciplinaire Richtlijn Depressie. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen cliënten met een depressie. Brandt-Dominicus JC. 2005. Utrecht, Trimbos-instituut, in opdracht van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ.

4. van Marwijk HW, Grundmeijer HG, Bijl D, van Gelderen MG, de Haan M, van Weel-Baumgarten EM et al. NHG-Standaard Depressieve stoornis (depressie) (eerste herziening). Huisarts Wet . 2003; 46 : 614-623.

5. NICE. Clinical Guideline 23. Depression: management of depression in primary and secondary care. December 2004. 23, 1-63. 2004. London, National Institute for Clinical Excellence.

6. Kennedy SH, Lam RW, Cohen NL, Ravindran AV, CANMAT Depression Work Group. Clinical guidelines for the treatment of depressive disorders. IV. Medications and other biological treatments. Can J Psychiatry . 2001; 46 Suppl 1 : 38S-58S.

7. American Psychiatric Association. Practice guideline for the treatment of patients with major depressive disorder (revision). American Psychiatric Association. Am J Psychiatry . 2000; 157 : 1-45.

8. Anderson IM, Nutt DJ, Deakin JFW. Evidence-based guidelines for treating depressive disorders with antidepressants: A revision of the 1993 British Association for Psychopharmacology guidelines. J Psychopharmacol . 2000; 14 : 3-20.

9. Ruhe HG, Rijswijk Ev, Verkes RJ. Biologische interventies bij depressie. In: Huyser J, Schene AH, Sabbe B, Spinhoven Ph, eds. Handboek depressieve stoornissen . Utrecht: De Tijdstroom; 2008:201-218.

10. Blier P, De Montigny C. Current advances and trends in the treatment of depression. Trends Pharmacol Sci . 1994; 15 : 220-226.

11. Nemeroff CB, Owens MJ. Neuropharmacology of paroxetine. Psychopharmacol Bull . 2003; 37 Suppl 1 : 8-18.

12. Belmaker RH, Agam G. Major depressive disorder. N Engl J Med . 2008; 358 : 55-68.

13. Malhi GS, Lagopoulos J. Making sense of neuroimaging in psychiatry. Acta Psychiatr Scand . 2008; 117 : 100-117.

14. Mayberg HS. Modulating dysfunctional limbic-cortical circuits in depression: towards development of brain-based algorithms for diagnosis and optimised treatment. Br Med Bull . 2003; 65 : 193-207.

15. Phillips ML, Drevets WC, Rauch SL, Lane R. Neurobiology of emotion perception II: Implications for major psychiatric disorders. Biol Psychiatry . 2003; 54 : 515-528.

16. Hu XZ, Lipsky RH, Zhu G, Akhtar LA, Taubman J, Greenberg BD et al. Serotonin transporter promoter gain-of-function genotypes are linked to obsessive-compulsive disorder. Am J Hum Genet . 2006; 78 : 815-826.

17. Serretti A, Kato M, De Ronchi D, Kinoshita T. Meta-analysis of serotonin transporter gene promoter polymorphism (5-HTTLPR) association with selective serotonin reuptake inhibitor efficacy in depressed patients. Mol Psychiatry . 2007; 12 : 247-257.

18. Pezawas L, Meyer-Lindenberg A, Drabant EM, Verchinski BA, Munoz KE, Kolachana BS et al. 5-HTTLPR polymorphism impacts human cingulate-amygdala interactions: a genetic susceptibility mechanism for depression. Nat Neurosci . 2005; 8 : 828-834.

19. Trivedi MH, Rush AJ, Wisniewski SR, Nierenberg AA, Warden D, Ritz L et al. Evaluation of outcomes with citalopram for depression using measurement-based care in STAR*D: implications for clinical practice. Am J Psychiatry . 2006; 163 : 28-40.

20. Thase ME. Evaluating antidepressant therapies: remission as the optimal outcome. J Clin Psychiatry . 2003; 64 Suppl 13 : 18-25.

21. Quitkin FM, Petkova E, McGrath PJ, Taylor B, Beasley C, Stewart J et al. When should a trial of fluoxetine for major depression be declared failed? Am J Psychiatry . 2003; 160 : 734-740.

22. Ruhe HG, Dekker JJ, Peen J, Holman R, de Jonghe F. Clinical use of the Hamilton Depression Rating Scale: is increased efficiency possible? A post hoc comparison of Hamilton Depression Rating Scale, Maier and Bech subscales, Clinical Global Impression, and Symptom Checklist-90 scores. Compr Psychiatry . 2005; 46 : 417-427.

23. Faries D, Herrera J, Rayamajhi J, DeBrota D, Demitrack M, Potter WZ. The responsiveness of the Hamilton Depression Rating Scale. J Psychiatr Res . 2000; 34 : 3-10.

24. Entsuah R, Shaffer M, Zhang J. A critical examination of the sensitivity of unidimensional subscales derived from the Hamilton Depression Rating Scale to antidepressant drug effects. J Psychiatr Res . 2002; 36 : 437-448.

25. O'Sullivan RL, Fava M, Agustin C, Baer L, Rosenbaum JF. Sensitivity of the six-item Hamilton Depression Rating Scale. Acta Psychiatr Scand . 1997; 95 : 379-384.

26. Hooper CL, Bakish D. An examination of the sensitivity of the six-item Hamilton Rating Scale for Depression in a sample of patients suffering from major depressive disorder. J Psychiatry Neurosci . 2000; 25 : 178-184.

27. Maier W, Philipp M. Improving the assessment of severity of depressive states: a reduction of the Hamilton Depression Scale. Pharmacopsychiatry . 1985; 18 : 114-115.

28. Bech P, Gram LF, Dein E, Jacobsen O, Vitger J, Bolwig TG. Quantitative rating of depressive states. Acta Psychiatr Scand . 1975; 51 : 161-170.

29. Frank E, Prien RF, Jarrett RB, Keller MB, Kupfer DJ, Lavori PW et al. Conceptualization and rationale for consensus definitions of terms in major depressive disorder. Remission, recovery, relapse, and recurrence. Arch Gen Psychiatry . 1991; 48 : 851-855.

30. Prien RF, Carpenter LL, Kupfer DJ. The definition and operational criteria for treatment outcome of major depressive disorder. A review of the current research literature. Arch Gen Psychiatry . 1991; 48 : 796-800.

31. Ballenger JC. Clinical guidelines for establishing remission in patients with depression and anxiety. J Clin Psychiatry . 1999; 60 Suppl 22 : 29-34.

32. Ruhe HG, Huyser J, Swinkels JA, Schene AH. Dose escalation for insufficient response to standard-dose selective serotonin reuptake inhibitors in major depressive disorder: Systematic review. Br J Psychiatry . 2006; 189 : 309-316.

33. Ruhe HG, Huyser J, Swinkels JA, Schene AH. Switching antidepressants after a first selective serotonin reuptake inhibitor in major depressive disorder: a systematic review. J Clin Psychiatry . 2006; 67 : 1836-1855.

34. Baldomero EB, Ubago JG, Cercos CL, Ruiloba JV, Calvo CG, Lopez RP. Venlafaxine extended release versus conventional antidepressants in the remission of depressive disorders after previous antidepressant failure: ARGOS study. Depress Anxiety . 2005; 22 : 68-76.

35. Rush AJ, Trivedi MH, Wisniewski SR, Stewart JW, Nierenberg AA, Thase ME et al. Bupropion-SR, sertraline, or venlafaxine-XR after failure of SSRIs for depression. N Engl J Med . 2006; 354 : 1231-1242.

36. Poirier MF, Boyer P. Venlafaxine and paroxetine in treatment-resistant depression. Double-blind, randomised comparison. Br J Psychiatry . 1999; 175 : 12-16.

37. Ruhe HG, Mason NS, Schene AH. Mood is indirectly related to serotonin, norepinephrine and dopamine levels in humans: a meta-analysis of monoamine depletion studies. Mol Psychiatry . 2007; 12 : 331-359.

38. Ruhé HG, Ooteman W, Booij J, Michel MC, Moeton M, Baas F et al. Serotonin transporter gene promoter polymorphisms modify the association between paroxetine serotonin transporter occupancy and clinical response in major depressive disorder. 2008; [Submitted] .

39. Smits KM, Smits LJ, Schouten JS, Stelma FF, Nelemans P, Prins MH. Influence of SERTPR and STin2 in the serotonin transporter gene on the effect of selective serotonin reuptake inhibitors in depression: a systematic review. Mol Psychiatry . 2004; 9 : 433-441.

40. Ruhe HG, Booij J, Weert HCv, Reitsma JB, Fransen EJF, Michel MC et al. Evidence why dose-escalation of paroxetine in major depressive disorder is not effective: A 6-week, randomized-controlled trial with assessment of serotonin transporter occupancy. Neuropsychopharmacology . 2008; [In Press] .

41. Adli M, Baethge C, Heinz A, Langlitz N, Bauer M. Is dose escalation of antidepressants a rational strategy after a medium-dose treatment has failed? A systematic review. Eur Arch Psychiatry Clin Neurosci . 2005; 255 : 387-400.

42. Baker CB, Tweedie R, Duval S, Woods SW. Evidence that the SSRI dose response in treating major depression should be reassessed: a meta-analysis. Depress Anxiety . 2003; 17 : 1-9.

43. Ruhe HG, Booij J, Veltman DJ, Michel MC, Schene AH. Successful treatment of major depressive disorder by paroxetine attenuates amygdala activation to negative facial expressions. An fMRI study. 2008; [Submitted] .

44. Davidson RJ, Irwin W, Anderle MJ, Kalin NH. The neural substrates of affective processing in depressed patients treated with venlafaxine. Am J Psychiatry . 2003; 160 : 64-75.

45. Fu CH, Williams SC, Cleare AJ, Brammer MJ, Walsh ND, Kim J et al. Attenuation of the neural response to sad faces in major depression by antidepressant treatment: a prospective, event-related functional magnetic resonance imaging study. Arch Gen Psychiatry . 2004; 61 : 877-889.

46. Schaefer HS, Putnam KM, Benca RM, Davidson RJ. Event-related functional magnetic resonance imaging measures of neural activity to positive social stimuli in pre- and post-treatment depression. Biol Psychiatry . 2006; 60 : 974-986.

47. Robertson B, Wang L, Diaz MT, Aiello M, Gersing K, Beyer J et al. Effect of bupropion extended release on negative emotion processing in major depressive disorder: a pilot functional magnetic resonance imaging study. J Clin Psychiatry . 2007; 68 : 261-267.

48. Abdelmalik N, Ruhé HG, Barwari K, Dool E-Jvd, Meijers JCM, Middeldorp S et al. The effect of the selective serotonin reuptake inhibitor paroxetine on platelet function is modified by a SLC6A4 serotonin transporter polymorphism. 2008; [Submitted] .

49. Lenox-Smith AJ, Jiang Q. Venlafaxine extended release versus citalopram in patients with depression unresponsive to a selective serotonin reuptake inhibitor. Int Clin Psychopharmacol . 2008; 23 : 113-119.

50. Thase ME, Lu Y, Joliat MJ, Detke MJ. Remission in placebocontrolled trials of duloxetine with an SSRI comparator. Presented atthe annual meeting of the American Psychiatric Association, May 2003, San Francisco, CA . 2003.

51. Malhi GS, Ng F, Berk M. Dual-dual action? Combining venlafaxine and mirtazapine in the treatment of depression. Aust N Z J Psychiatry . 2008; 42 : 346-349.

52. Perahia DG, Quail D, Desaiah D, Corruble E, Fava M. Switching to duloxetine from selective serotonin reuptake inhibitor antidepressants: a multicenter trial comparing 2 switching techniques. J Clin Psychiatry . 2008; 69 : 95-105.

53. Papakostas GI, Fava M, Thase ME. Treatment of SSRI-resistant depression: a meta-analysis comparing within- versus across-class switches. Biol Psychiatry . 2008; 63 : 699-704.

54. Lenox-Smith AJ, Schaeffer P, Reynolds A, Williard L. A double blind trial of venlafaxine XR versus citalopram in patients with severe depression. J Psychopharmacol . 2001; 15 Suppl 3 : A11.

55. Thase ME, Kremer C, Rodrigues H. Mirtazapine versus sertraline after SSRI nonresponse [Abstract]. American Psychiatric Association.2001 annual meeting: New Orleans LA . 2001.

56. Cipriani A, Barbui C, Brambilla P, Furukawa TA, Hotopf M, Geddes JR. Are all antidepressants really the same? The case of fluoxetine: a systematic review. J Clin Psychiatry . 2006; 67 : 850-864.

57. Licht RW, Qvitzau S. Treatment strategies in patients with major depression not responding to first-line sertraline treatment: A randomised study of extended duration of treatment, dose increase or mianserin augmentation. Psychopharmacology (Berl) . 2002; 161 : 143-151.

58. Fava M, Rosenbaum JF, McGrath PJ, Stewart JW, Amsterdam JD, Quitkin et al. Lithium and tricyclic augmentation of fluoxetine treatment for resistant major depression: a double-blind, controlled study. Am J Psychiatry . 1994; 151 : 1372-1374.

59. Fava M, Alpert J, Nierenberg A, Lagomasino I, Sonawalla S, Tedlow J et al. Double-blind study of high-dose fluoxetine versus lithium or desipramine augmentation of fluoxetine in partial responders and nonresponders to fluoxetine. J Clin Psychopharmacol . 2002; 22 : 379-387.

60. Papakostas GI, Charles D, Fava M. Are typical starting doses of the selective serotonin reuptake inhibitors sub-optimal? A meta-analysis of randomized, double-blind, placebo-controlled, dose-finding studies in major depressive disorder. World J Biol Psychiatry . 2007; 1-8.

61. Santor DA, Coyne JC. Examining symptom expression as a function of symptom severity: Item performance on the Hamilton Rating Scale for Depression. Psychol Assess . 2001; 13 : 127-139.

62. de Abajo FJ, Montero D, Rodriguez LA, Madurga M. Antidepressants and risk of upper gastrointestinal bleeding. Basic Clin Pharmacol Toxicol . 2006; 98 : 304-310.

63. Wessinger S, Kaplan M, Choi L, Williams M, Lau C, Sharp L et al. Increased use of selective serotonin reuptake inhibitors in patients admitted with gastrointestinal haemorrhage: a multicentre retrospective analysis. Aliment Pharmacol Ther . 2006; 23 : 937-944.

64. Meijer WE, Heerdink ER, Nolen WA, Herings RM, Leufkens HG, Egberts AC. Association of risk of abnormal bleeding with degree of serotonin reuptake inhibition by antidepressants. Arch Intern Med . 2004; 164 : 2367-2370.

65. Dalton SO, Johansen C, Mellemkjaer L, Norgard B, Sorensen HT, Olsen JH. Use of selective serotonin reuptake inhibitors and risk of upper gastrointestinal tract bleeding: a population-based cohort study. Arch Intern Med . 2003; 163 : 59-64.

66. van Walraven C, Mamdani MM, Wells PS, Williams JI. Inhibition of serotonin reuptake by antidepressants and upper gastrointestinal bleeding in elderly patients: retrospective cohort study. BMJ . 2001; 323 : 655-658.

67. Serebruany VL. Selective serotonin reuptake inhibitors and increased bleeding risk: are we missing something? Am J Med . 2006; 119 : 113-116.

68. Kent JM, Coplan JD, Lombardo I, Hwang DR, Huang Y, Mawlawi O et al. Occupancy of brain serotonin transporters during treatment with paroxetine in patients with social phobia: a positron emission tomography study with [ 11 C]McN 5652. Psychopharmacology (Berl) . 2002; 164 : 341-348.

69. Meyer JH, Wilson AA, Ginovart N, Goulding V, Hussey D, Hood K et al. Occupancy of serotonin transporters by paroxetine and citalopram during treatment of depression: a [ 11 C]DASB PET imaging study. Am J Psychiatry . 2001; 158 : 1843-1849.

70. Meyer JH, Wilson AA, Sagrati S, Hussey D, Carella A, Potter WZ et al. Serotonin Transporter Occupancy of Five Selective Serotonin Reuptake Inhibitors at Different Doses: An [ 11 C]DASB Positron Emission Tomography Study. Am J Psychiatry . 2004; 161 : 826-835.

71. Parsey RV, Kent JM, Oquendo MA, Richards MC, Pratap M, Cooper TB et al. Acute occupancy of brain serotonin transporter by sertraline as measured by [ 11 C]DASB and positron emission tomography. Biol Psychiatry . 2006; 59 : 821-828.

72. Suhara T, Takano A, Sudo Y, Ichimiya T, Inoue M, Yasuno F et al. High levels of serotonin transporter occupancy with low-dose clomipramine in comparative occupancy study with fluvoxamine using positron emission tomography. Arch Gen Psychiatry . 2003; 60 : 386-391.

73. Erlandsson K, Sivananthan T, Lui D, Spezzi A, Townsend CE, Mu S et al. Measuring SSRI occupancy of SERT using the novel tracer [ 123 I]ADAM: a SPECT validation study. Eur J Nucl Med Mol Imaging . 2005; 32 : 1329-1336.

74. Hiltunen J, Akerman KK, Kuikka JT, Bergstrom KA, Halldin C, Nikula T et al. Iodine-123 labeled nor- ß -CIT as a potential tracer for serotonin transporter imaging in the human brain with single-photon emission tomography. Eur J Nucl Med . 1998; 25 : 19-23.

75. Klein N, Sacher J, Geiss-Granadia T, Mossaheb N, Attarbaschi T, Lanzenberger R et al. Higher serotonin transporter occupancy after multiple dose administration of escitalopram compared to citalopram: an [ 123 I]ADAM SPECT study. Psychopharmacology (Berl) . 2007; 191 : 333-339.

76. Klein N, Sacher J, Geiss-Granadia T, Attarbaschi T, Mossaheb N, Lanzenberger R et al. In vivo imaging of serotonin transporter occupancy by means of SPECT and [ 123 I]ADAM in healthy subjects administered different doses of escitalopram or citalopram. Psychopharmacology (Berl) . 2006; 188 : 263-272.

77. Takano A, Suzuki K, Kosaka J, Ota M, Nozaki S, Ikoma Y et al. A dose-finding study of duloxetine based on serotonin transporter occupancy. Psychopharmacology (Berl) . 2006; 185 : 395-399.

78. Catafau AM, Perez V, Plaza P, Pascual JC, Bullich S, Suarez M et al. Serotonin transporter occupancy induced by paroxetine in patients with major depression disorder: a [ 123 I]-ADAM SPECT study. Psychopharmacology (Berl) . 2006; 189 : 145-153.

79. Herold N, Uebelhack K, Franke L, Amthauer H, Luedemann L, Bruhn H et al. Imaging of serotonin transporters and its blockade by citalopram in patients with major depression using a novel SPECT ligand [ 123 I]-ADAM. J Neural Transm . 2006; 113 : 659-670.

80. Voineskos AN, Wilson AA, Boovariwala A, Sagrati S, Houle S, Rusjan P et al. Serotonin transporter occupancy of high-dose selective serotonin reuptake inhibitors during major depressive disorder measured with [ 11 C]DASB positron emission tomography. Psychopharmacology (Berl) . 2007; 193 : 539-545.

81. Meyer JH. Imaging the serotonin transporter during major depressive disorder and antidepressant treatment. J Psychiatry Neurosci . 2007; 32 : 86-102.

82. Spoont MR. Modulatory role of serotonin in neural information processing: implications for human psychopathology. Psychol Bull . 1992; 112 : 330-350.

83. Martinowich K, Lu B. Interaction between BDNF and serotonin: role in mood disorders. Neuropsychopharmacology . 2008; 33 : 73-83.

84. Chen CH, Suckling J, Ooi C, Fu CH, Williams SC, Walsh ND et al. Functional Coupling of the Amygdala in Depressed Patients Treated with Antidepressant Medication. Neuropsychopharmacology . 2008; 33 : 1909-1918.

85. Pirker W, Asenbaum S, Hauk M, Kandlhofer S, Tauscher J, Willeit M et al. Imaging serotonin and dopamine transporters with [ 123 I] ß -CIT SPECT: binding kinetics and effects of normal aging. J Nucl Med . 2000; 41 : 36-44.

86. Innis R, Baldwin R, Sybirska E, Zea Y, Laruelle M, al Tikriti M et al. Single photon emission computed tomography imaging of monoamine reuptake sites in primate brain with [ 123 I]CIT. Eur J Pharmacol . 1991; 200 : 369-370.

87. Neumeyer JL, Wang SY, Milius RA, Baldwin RM, Zea-Ponce Y, Hoffer PB et al. [ 123 I]-2 beta-carbomethoxy-3 beta-(4-iodophenyl)tropane: high-affinity SPECT radiotracer of monoamine reuptake sites in brain. J Med Chem . 1991; 34 : 3144-3146.

88. Neumeyer JL, Tamagnan G, Wang S, Gao Y, Milius RA, Kula NS et al. N-substituted analogs of 2 beta-carbomethoxy-3 beta- (4'-iodophenyl)tropane ( ß -CIT) with selective affinity to dopamine or serotonin transporters in rat forebrain. J Med Chem . 1996; 39 : 543-548.

89. Laruelle M, Baldwin RM, Malison RT, Zea-Ponce Y, Zoghbi SS, al Tikriti MS et al. SPECT imaging of dopamine and serotonin transporters with [ 123 I] ß -CIT: pharmacological characterization of brain uptake in nonhuman primates. Synapse . 1993; 13 : 295-309.

90. Benmansour S, Cecchi M, Morilak DA, Gerhardt GA, Javors MA, Gould GG et al. Effects of chronic antidepressant treatments on serotonin transporter function, density, and mRNA level. J Neurosci . 1999; 19 : 10494-10501.

91. Benmansour S, Owens WA, Cecchi M, Morilak DA, Frazer A. Serotonin clearance in vivo is altered to a greater extent by antidepressant-induced downregulation of the serotonin transporter than by acute blockade of this transporter. J Neurosci . 2002; 22 : 6766-6772.

92. Blendy JA. The role of CREB in depression and antidepressant treatment. Biol Psychiatry . 2006; 59 : 1144-1150.

93. Castren E. Is mood chemistry? Nat Rev Neurosci . 2005; 6 : 241-246.

94. Davidson C, Stamford JA. Effect of chronic paroxetine treatment on 5-HT1B and 5-HT1D autoreceptors in rat dorsal raphe nucleus. Neurochem Int . 2000; 36 : 91-96.

95. Djavadian RL. Serotonin and neurogenesis in the hippocampal dentate gyrus of adult mammals. Acta Neurobiol Exp (Wars ) . 2004; 64 : 189-200.

96. Kim SW, Park SY, Hwang O. Up-regulation of tryptophan hydroxylase expression and serotonin synthesis by sertraline. Mol Pharmacol . 2002; 61 : 778-785.

97. Malberg JE, Eisch AJ, Nestler EJ, Duman RS. Chronic antidepressant treatment increases neurogenesis in adult rat hippocampus. J Neurosci . 2000; 20 : 9104-9110.

98. Meyer JH, Kapur S, Eisfeld B, Brown GM, Houle S, DaSilva J et al. The effect of paroxetine on 5-HT(2A) receptors in depression: an [ 18 F]setoperone PET imaging study. Am J Psychiatry . 2001; 158 : 78-85.

99. Mavissakalian MR, Ryan MT. Rational treatment of panic disorder with antidepressants. Ann Clin Psychiatry . 1998; 10 : 185-195.

100. Rickels K, Zaninelli R, McCafferty J, Bellew K, Iyengar M, Sheehan D. Paroxetine Treatment of Generalized Anxiety Disorder: A Double-Blind, Placebo-Controlled Study. Am J Psychiatry . 2003; 160 : 749-756.

101. Practice guideline for the treatment of patients with panic disorder. Work Group on Panic Disorder. American Psychiatric Association. Am J Psychiatry . 1998; 155 : 1-34.

102. Richtlijn Angststoornissen. Multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen cliënten met een angststoornis. Velde V vd. 2003. Utrecht, Trimbos-instituut, in opdracht van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ.

103. Denys D. Pharmacotherapy of obsessive-compulsive disorder and obsessive-compulsive spectrum disorders. Psychiatr Clin North Am . 2006; 29 : 553-84.

104. Figee M, Denys D. New pharmacotherapeutical approaches to obsessive compulsive disorder. CNS Spectr . 2008; [In press] .

105. Ninan PT, Koran LM, Kiev A, Davidson JR, Rasmussen SA, Zajecka JM et al. High-dose sertraline strategy for nonresponders to acute treatment for obsessive-compulsive disorder: a multicenter double-blind trial. J Clin Psychiatry . 2006; 67 : 15-22.

106. Dougherty DD, Rauch SL, Jenike MA. Pharmacotherapy for obsessive-compulsive disorder. J Clin Psychol . 2004; 60 : 1195-1202.

107. American Psychiatric Association. Practice guideline for the treatment of patients with obsessive-compulsive disorder . Available online at http//www.psych.org/psych_pract/treatg/pg/prac_ guide.cfm ed. Arlington, VA: American Psychiatric Association; 2007:1-96.

108. Wittkampf KA, Ruhé HG, Huyser J, Schene AH. De Creatieve Psychiater? Een onderzoek onder Nederlandse psychiaters naar de behandeling van depressieve stoornissen bij het falen van de eerste SSRI. 2001. Amsterdam, Zorgprogramma Stemmingsstoornissen MFO Psychiatrie AMC/ De Meren.

109. Byrne S, Rothschild AJ. Psychiatrists' responses to failure of maintenance therapy with antidepressants. Psychiatr Serv . 1997; 48 : 835-837.

110. Fredman SJ, Fava M, Kienke AS, White CN, Nierenberg AA, Rosenbaum JF. Partial response, nonresponse, and relapse with selective serotonin reuptake inhibitors in major depression: a survey of current "next-step" practices. J Clin Psychiatry . 2000; 61 : 403-408.

111. Mischoulon D, Nierenberg AA, Kizilbash L, Rosenbaum JF, Fava M. Strategies for managing depression refractory to selective serotonin reuptake inhibitor treatment: a survey of clinicians. Can J Psychiatry . 2000; 45 : 476-481.

112. Shergill SS, Katona CL. Pharmacological choices after one antidepressant fails: a survey of UK psychiatrists. J Affect Disord . 1997; 43 : 19-25.

113. Cochrane Collaboration. Preparing, maintaining and promoting the accessibility of systematic reviews of the effects of health care interventions. Internet: http://www.cochrane.org/. 2001. Cochrane Collaboration.

114. Baker CB, Woods SW. Is there a SSRI dose response in treating major depression? The case for re-analysis of current data and for enhancing future study design. Depress Anxiety . 2003; 17 : 10-18.

De amygdala is een amandelvormig onderdeel van de hersenen, dat zich zowel in de linker als rechter hersenhelft bevindt, en onder andere betrokken is bij automatische reacties op angstige situaties.